Lindeboom Instituut
Samenwerkingsverband toekomstbestendig biotechnologiebeleid

Het samenwerkingsverband toekomstbestendig biotechnologiebeleid

 

Achtergrond

In het afgelopen decennium is er veel biotechnologische vooruitgang geweest. Zo is er onder andere grote vooruitgang geboekt in de mogelijkheid om genetisch materiaal aan te passen, met name door de vinding en toepassing van CRISPR-Cas. Deze recente biotechnologische ontwikkelingen dagen ons uit om na te denken over de vraag hoe wij naar (menselijk) leven kijken en in hoeverre we hier controle over willen hebben, zowel wat betreft ons eigen leven als voor de Nederlandse samenleving als geheel.

Het probleem is echter dat ons huidige beleid ontoereikend is om de nieuwe ethische kwesties, die opkomen door de recente technologische vooruitgang, op te kunnen lossen. Om deze reden heeft de overheid besloten een samenwerkingsverband op te richten, dat gevraagd is na te denken over hoe het huidige overheidsbeleid aangepast dient te worden om meer ‘toekomstbestendig’ te worden. Om recht te doen aan de grote verscheidenheid aan meningen ten aanzien van recente biotechnologieën, werden verschillende maatschappelijke actoren betrokken, zoals bedrijven, overheidsinstellingen als het RIVM, onderzoeksgroepen van universiteiten, de Raad van Kerken, het Lindeboom Instituut en Stichting voor Christelijke Filosofie.

 

Samenwerkingsverband

In het voorjaar van 2018 gingen drie verschillende werkgroepen (rood, wit en groen) van start. Namens het Lindeboom Instituut ben ik betrokken geweest bij de ‘rode werkgroep’, die zich richtte op de menselijke gezondheidszorg. De witte en groene werkgroepen richtten zich respectievelijk op de industriële sector en de plantensector. In totaal is de rode werkgroep viermaal bijeen gekomen. Er werd begonnen met een discussie/dialoog over welke waarden en normen van belang zijn rond nieuwe biotechnieken. Nadat deze waren geïdentificeerd, werd het huidige beleid onder de loep genomen en werden ‘bouwstenen’ aangedragen voor een nieuw, toekomstbestendig beleid.

 

Uitkomsten

Tijdens de eerste bijeenkomsten werd nagedacht over belangrijke waarden die een rol kunnen spelen als bouwstenen voor beleidsvorming rond biotechnologie. Enkele voorbeelden zijn: de uniciteit van ieder afzonderlijk mens, het verminderen van ziekte en lijden, het verbeteren van onze gezondheidszorg, het bijdragen aan goede gezondheid voor alle mensen, solidariteit, zorgzaamheid, autonomie en natuurlijkheid. Zoals verwacht worden deze waarden door de aanwezigen verschillend geïnterpreteerd en gewogen, waardoor het niet mogelijk is om tot één algemene conclusie te komen. Een belangrijke uitkomst van de discussie was dan ook het voorstel om een klankbordgroep op te richten met een brede en diverse samenstelling, die tot taak krijgt om te reflecteren op toepassing van – en onderzoek naar – concrete biotechnologische ontwikkelingen en de complexe ethische vraagstukken die dit met zich meebrengt. De klankbordgroep dient vervolgens overwegingen te formuleren die raadgevend zijn, maar niet direct sturend. Op deze wijze wordt in het beleid verankerd dat ook minderheidsgroepen (zoals christenen) ruimte krijgen om mee te denken en discussiëren over het gebruik van specifieke biotechnologieën, in alle stadia van ontwikkeling en uitvoering.

De discussies die werden gevoerd tijdens de bijeenkomsten van de rode werkgroep richtten zich met name op het aanpassen van DNA van virussen, bacteriën, planten, dieren en somatische cellen van mensen (cellen waarvan het genetisch materiaal niet overerft bij de voortplanting). Het viel op dat zogenaamde kiembaanmodificatie – het aanpassen van DNA in cellen die wel betrokken zijn bij voortplanting – en het aanpassen van DNA van embryo’s door de meeste betrokkenen van de rode werkgroep als een stap te ver werd gezien. Over het produceren van embryo’s voor onderzoek is niet gesproken, aangezien dit niet een concrete vraag was aan de werkgroep. De discussies over kiembaanmodificatie, het aanpassen van DNA van embryo’s en het kweken van embryo’s voor onderzoek zullen dus nog gevoerd moeten worden.

 

Martijn van Rijswijk, arts en ethicus